Ik hang als klein jochie over de rand van
een fontein. In het water zie ik mezelf weerspiegeld en ik vraag: “Wat doen al
die muntjes op de bodem papa?” Hij vertelt dat als je een muntje in het water
gooit je een wens mag doen. “Plop,” daar gaat mijn kwartje. Ik ben op vakantie
in Griekenland en heb zojuist een wens gedaan. Mijn ouders wensen een goede
gezondheid voor de hele familie. En mijn broer, toen 9, dat we bij elkaar mogen
blijven. “En jij Robert?” Ik stamel dat ik dat niet kan zeggen, want “dan komt
het niet uit”. Maar natuurlijk durf ik na hun mooie en wijze wensen de mijne
niet meer te delen. Ik was nooit een egoďstisch ventje, maar aan hun wensen heb
ik geen enkel moment gedacht. De mijne was profvoetballer worden.
Een paar weken later scoor ik in de
eerste wedstrijd van het seizoen 3 keer waarvan zelfs een identieke goal als
Marco van Basten in de halve finale tegen Duitsland! Dit had zéker met die wens
te maken. Mijn moeder heeft overigens deze prachtige en moeilijke goal niet
gezien omdat ze met griep thuis zat. U kent vast geen Robert Derksen die
profvoetballer is. Gelukkig maar, want los van te weinig talent blijkt mijn
passie een totaal andere. Die fontein wist dat!
Al meer dan een jaar was ik
stapelverliefd en die zomer in Griekenland wens ik met mijn 2de
kwartje met haar te trouwen. Bijna een jaar later zoen ik met haar op het
slotkamp. Dit had zéker met die wens te maken. Na de basisschool ben ik haar
echter uit mijn betraande ogen verloren. Intussen val ik op totaal andere
vrouwen. Die fontein wist dat. Laatst hoor ik zelfs dat ze lesbisch is.
Nog steeds hang ik bij elke fontein
over de rand en ik kijk, gooi en wens. En altijd komen ze mooier uit dan ik
ooit had kunnen wensen. Alsof het water van de fontein me beter kent dan ik
zelf.
Door een traag
rijdende rode twingo voor mij mis ik het stoplicht. Hoewel ik niet zie wie de
bestuurder is, hoor ik mezelf zeggen dat het een vuile, vieze eikel is die niet
kan autorijden. Het gaat niet zo goed. In de winkelstraat staat iemand plots
voor me stil. Ik kijk afkeurend naar haar en loop opzichtig nee-schuddend en
zuchtend om haar heen. Nee, het gaat niet zo goed. Als een oudere man me in de
trein beleeft vraagt of ik wat zachter wil bellen, roep ik geërgerd: ‘Ach je
hebt toch geen banaan in je oren.’ Het gaat duidelijk echt niet zo goed.
Als
ik dat aan vrienden vertel, zeggen ze: ‘Oh wat vervelend voor je.’ Maar met die
reactie leer ik vooral de ander kennen. Als het met hen niet zo goed gaat,
vinden ze dat blijkbaar vervelend. Maar dat heeft niets met mij te maken. Want
waarom zou het altijd goed moeten gaan? Waarom mag het niet gewoon even slecht
gaan? Met mijn burn-out in 2008 ben ik bijvoorbeeld ontzettend dankbaar. En
doordat ik me vroeger niet kon uiten, ben ik gaan schrijven. En dat het nu
slecht gaat probeer ik te accepteren. Ik probeer er niets van te vinden, maar
dat blijkt lastig. Die reactie van ‘Oh wat vervelend voor je’ helpt me daar
niet bij. Als ik me niet zo slecht zou voelen, zou ik het misschien minder
irritant vinden.
Ook
aan Yuna vertel ik over de rode twingo, de vrouw in de stad en de oudere man in
de trein. En dat ik aan hen alsnog mijn excuses wil aanbieden voor mijn gedrag.
Mijn reacties hebben uiteraard niets met hen te maken. Verder vertel ik aan
Yuna dat het blijkbaar al een tijdje best slecht gaat. Yuna is op dat moment de
eerste en enige die vraagt: ‘En hoe vindt je dat?’ Ik antwoord haar: ‘Ik vind
het nu vooral vervelend.’
Ik heb een eigen huis gekocht. En ik ben er blij mee. Het
geeft me een fijn gevoel te weten dat het míjn huis is. Maar daar snap ik niks van.
Als míjn koophuis een huurhuis zou zijn, maar er precies hetzelfde uit zou
zien, dan was ik er toch minder blij en trots op geweest. Dat zou toch niet uit
hoeven maken? Yuna, die meegaat in mijn gedachte antwoord: “Je geeft aan dingen
die van je zelf zijn een ander gevoel en dat krijg je terug.”
Het is een mooi en logisch antwoord. Toch ervaar ik een
onvrede, want het is blijkbaar een goed antwoord op de verkeerde vraag. Als
Yuna allang weg is, herformuleer ik mijn vraag: Waarom geef ik een andere intentie
aan míjn huis als het een koophuis is in plaats van een huurhuis?
Míjn vraag heeft uiteraard te maken met míjn probleem van
een bezitsaanduiding die onwerkelijk is. Ik woon hier slechts en deze woning is
niet ván mij. Niets is ván mij. Vaak mijd ik zelfs het woord “mijn”. Zo is dit
zeker niet “mijn column”, maar hoogstens de column die ik geschreven heb. Míjn
vriendin is nooit míjn vriendin, maar de vrouw waar ik op dat moment een
relatie mee heb. De vrouwen waar ik in het verleden op dat moment een relatie
mee had, vonden dat meestal niet zo leuk. En als de politie vraagt of die fiets
op mijn schouder -waarvan ik het sleuteltje kwijt ben- van mij is, antwoord ik:
“Nee, dit is niet míjn fiets...” In míjn dagelijkse leven is het dus vaak
gekunsteld en onpraktisch. Misschien moet ik de vraag nogmaals herformuleren:
Waarom geef ik zo’n beladen intentie aan het woord “mijn”? Ik ga daar maar eens
rustig over nadenken in het huis waar ik woon.
Mijn
vriendin komt vol enthousiasme terug van een beautyweekend: “En?” Wat een
moeilijke vraag kan ze toch stellen met twee letters. Ik besluit eerlijk te
antwoorden: “Ik zie geen verschil lief.” Die week ervoor vond ik haar namelijk
ook ontzettend mooi. Míjn eigen uiterlijke verzorging komt niet verder dan de
badkamer.
Met
al het scheerschuim op mijn gezicht sta ik als een soort kerstman voor de
spiegel met maar één doel: Al het witte moet weg. Met
vlijmscherpe mesjes begin ik
te klussen op mijn gezicht, baan voor baan. Het voelt als omgekeerd behangen of
een combinatie van aaien en grasmaaien. Het resultaat is hetzelfde: al het
witte is weg en mijn gezicht is glad. Eens in de 2 á 3 dagen scheer ik me, of
vaker als ik ‘iets heb.’ De mannelijke baardgroei die je ziet bij ‘stoere’
reclames van mannengeurtjes zit er helaas voor mij niet in. Een sikje is,
waarschijnlijk vanwege te weinig testosteron, voor mij het hoogst haalbare. Het
siert mijn gezicht op luie dagen.
Het
vervelende van badkamerrituelen is dat ze zo privé zijn. Tijdens het scheren
zelf voel ik me een echte man, maar niemand ziet wat vooraf gaat aan mijn glad
verzorgde wangen. Daarom hoop ik nog steeds op de dag dat mijn gezicht met
scheerschuim bedekt is en dan de deurbel gaat. Het solistische van scheren is
overigens tegelijkertijd haar charme. Ik kan als man ongenegeerd even tijd aan
mezelf besteden. Een maskertje, sauna of beautyweekend dat zie ik mezelf niet
doen. Dat is te vrouwelijk, maar scheren mag. Scheren moet. En wordt bovendien
nog op prijs gesteld ook. Het is een mannelijk, overzichtelijk klusje mét
zichtbaar resultaat. Ja, scheren is de ideale activiteit voor mannen. Ik krijg
zin om te jagen.
Als
voor een man de auto het verlengstuk is van zijn penis, wat is dan voor een man
de trein? Ik zit in de 1ste klas. Om me heen zie ik alleen maar
pakken, lange jassen en leren werkkoffertjes. Dit zal dan samen met vooral hun
1ste klas kaartje dan wel
als hun verlengstuk dienen.
Hoewel ik vaak met de trein
reis, ervaar ik nu alles als nieuw. Een paar meter naast de vertrouwde 2de
klas gaat een nieuwe wereld voor me open. Alsof ik in een geheim bonuslevel ben
beland. Zelfs de internetaansluiting bij de bagagerekken maken indruk. De
stoelen zijn ruim en in de beenruimte kan ik wel acht benen kwijt. Als ik
halverwege ontdek dat je de stoel zelfs kan verstellen, maakt mijn continue
glimlach om mijn lippen zelfs geluid. Ik voel me wel wat onwennig tussen al die
zakenmensen en zelfs als een bijdehandt studentje dat stiekem met zijn 2de
klas kaartje de drukte van de 2de klas is ontvlucht. Gek, want
met mijn kaartje mag ik hier gewoon zitten.
Een
stoel verder zit een Stropdas met een luxe ‘minicomputertje’ te bellen tót de
verbinding wegvalt. Een Streepjespak naast hem zegt dat er nooit bereik is op
dit stuk. En dat klopt. Hoe duur zijn hypermoderne apparaatje ook is en hoeveel
functies die allemaal bezit, zelfs de Stropdas ontkomt er niet aan: Geen bereik
is geen bereik. Ik kan het niet laten om de Stropdas op te naaien. Ik pak mijn
oude verroeste, beschadigde telefoon en hou een nepgesprek, een vrolijk
nepgesprek. De Stropdas houdt verontwaardigd zijn minicomputertje in zijn hand
en kijkt dan kwaad naar mij. En ik zie de Stropdas denken: “Hoe kan dat? Dat
Ventje heeft wél bereik.” Blijkbaar heeft de Stropdas ook voor een geintje geen
bereik.
Hou je niet van kraaien, bedenk dan het is een vogel? Hou je niet van
haaien alleen al op tv, waarom zie je dan geen vis? Haat je Marokkanen, je baas
of Beatrix? Walg je van de paus of de buurman met zijn tics? Zo zing ik mezelf
langs de dijk op weg naar huis. Het is voor mijn gevoel het begin van wat een
mooi liedje zou kunnen worden. Alleen heb ik géén idee hoe? En zo krijgt die
kraai nooit zijn g-akkoord die hij verdient. Dit liedje is geboren maar sterft
al ver voor de eerste noot.
Soms kijk ik op dezelfde
manier naar mijn vader. Er zit zoveel meer in denk ik dan. En doet hij
uberhaupt wel wat hij graag wil. Ik vraag me echt af wat hem tegenhoudt. Is hij
bang om te falen of juist voor succes? Is het de angst om zichzelf te zijn?
Weet hij wel dat hij elk moment alle keuzes van zijn eigen hart mag en kán
maken? Hij is geboren, maar sterft al ver voor de eerste dood.

Zo kijk ik ook vaak naar
andere familieleden en naar vrienden. Maar eigenlijk gaat dat natuurlijk over
mezelf. Ik ken de grootsheid van de onbeperkte mogelijkheden, maar zit
ondertussen uitgeput langs de dijk. En ik baal van alles wat maar niet lukt en
van alle worstelingen waar ik telkens tegen aanloop. Terwijl ik weet dat ik kan
vliegen, vallen tranen op het groen van het gras en ze weerkaatsen in het
zonlicht. Ik zie alleen wat er allemaal misgaat en voel me een kraai. En ik
haat het, maar het lukt me niet mijn eigen situatie en mezelf van een afstand
te bekijken. Lukte het me maar om uit te zoomen en een prachtige vogel te zien.
Zing voor mij.
Ik ga zelf altijd naar een Turkse: “Wat een bos heb jij zeg.” Dat klopt. En
ik ben er aan gehecht. Toch weet ik dat ik ‘echt weer eens’ naar de kapper
moet. Niet omdat mijn pa dat nog steeds elke keer zegt (ik ben 30), maar omdat
de spiegel het schreeuwt.
“Zegt u het maar.” Natuurlijk weet ik hoe ik het wil hebben, dat is al meer
dan 20 jaar niet veranderd. Maar toch twijfel ik en begin ik te stamelen. Dit
komt duidelijk voort uit de gehechtheid aan mijn flinke bos. Knappe kapster die
mij dan ook blij naar buiten laat lopen. Nog nooit is het gelukt. Ik heb als
18-jarige wel eens mijn pet meegenomen om direct er na op te zetten. Wat een
belediging moet dat zijn geweest voor dat meisje, terwijl het niets met haar te
maken had. Het ligt namelijk niet aan die knappe kapsters. Ik ben de bos kwijt
waarmee ik kwam. De bos waarmee ik me identificeer. Ook al is het kwastje aan
het eind waarmee ze de kleine haartjes uit mijn nek borstelt echt heerlijk.
Deze laatste keer föhnt ze zelfs mijn haren en dat is fijn warm. Toch komt er
een moment dat ze zegt: “Klaar. Zal ik er nog wat gel in doen?” Nee, dat hoeft
niet. Want ze plukken wat, maar het zit nooit zoals het zat. Het leed is al
geschied. Ik kom er zelfs chagerijnig vandaan: ik ben mijn bos kwijt.
Dit gevoel is over zodra mijn haar één keer goed heeft gezeten. Meestal
drie dagen later. Zo gaat dat elke keer. Of zal het nu ik dit inzicht heb het
de volgende keer anders zijn? Ik weet het echt niet. “Zegt u het maar.”
Aan haar manier van uitstappen zie ik
al dat ze wat wil vragen. Waar dat in zit weet ik niet, maar soms heb je dat.
Haar mooie, blonde dochter van een jaar of 15 pakt haar sigaretten van het
dashboard en stapt ook uit.
Vlak ervoor zie ik dat hun
Volkswagenbusje een wit kenteken heeft. Duitsters dus. Logisch dan ook dat de
vrouw de weg wil vragen. Ze stelt haar vraag echter in vloeiend Nederlands. Ik
wijs ze rustig de weg en zeg nog: “Gaaf busje trouwens.” Zij reageert: “Gewoon
in Nederland gekocht hoor!” Dat antwoord snap ik niet, want ik zie dit soort
volkswagenbusjes hier inderdaad vaak genoeg. Verbaasd vraag ik waarom ze dan
een Duits kenteken hebben. “Nee, het is Portugees. Met een P.” Ik had de
Portugese vlag wel op hun dashboard zien liggen, maar negeer die informatie.
Net als haar antwoord. Ik luister heel selectief en haar reactie komt niet
binnen, want ik zeg: “Oh met een P, Polen?”. Het kenteken van Polen is namelijk
ook wit, herinner ik me. “Nee,” antwoord de dochter nu, “dat is PL. We hebben 6
jaar in Portugal gewoond.”
Nog steeds krijg ik die informatie
niet verwerkt, want het klopt niet met mijn eerste beeld. Het kenteken is wit,
dus Duits. Punt uit. Tot ik nog een keer naar het nummerbord loop en kijk.
Inderdaad: “met een P”, die linksboven op het kenteken staat. Plots vallen al
hun zinnen eindelijk op de plek. Hoe kan ik zowel die Portugese vlag en hun
duidelijke antwoorden zo finaal negeren? Alleen omdat ik in mijn hoofd heb
vastgezet dat ze Duitsers zijn! Als ik dit met zoiets simpels al heb, hoe zit
dat dan met wezenlijke zaken? Volgens mij ben ik de enige van ons drieën die
echt de weg kwijt is.
“Niet
met je natte haar naar buiten,” schreeuwde mijn moeder geregeld. Geen idee dat
ik dat uberhaupt gedaan heb, want ik ging gewoon buiten spelen. Volgens mij
droogde ik me helemaal niet af en nu uiteraard altijd, zelfs mijn haar.
“...want dan vat je kou,” volgde er nog achter aan als ik al bijna de hoek om
was.
Mijn pa overtuigde me s’avonds
met: “De uren voor twaalf tellen dubbel.” Het is bedrog van ouders om mij als
kind te manipuleren om vroeg naar bed te gaan. Nooit vertelde ze waarom. Het is
een ‘iets te zeggen hebben’ dat circuleert onder ouders en gretig wordt
uitgewisseld bij op het schoolplein. Het zijn de panini-voetbalplaatjes of
flippo’s van de ouders. Het allergrootste bedrog was rond etenstijd als ik geen
zin had in één of andere gore groente. “Witlof is de lievelingsgroente van Ruud
Gullit.” Beste moeders, over sinterklaas mag je liegen alsof je leven er van af
hangt, maar dít is hersenspoelen door het misbruiken van een jeugdheld.
Destijds excelleerde ik als 8-jarige in een jeugdelftal uit Duiven en
natuurlijk at ik die hele pan witlof op. De dag erna at ik drie borden
bloemkool leeg omdat “Ruud Gullit dat ook heel erg vaak at”. Mijn moeder wist
blijkbaar niet dat ik op het trapveldje achter altijd Marco van Basten was,
anders dan was witlof en bloemkool was de lievelingsgroente van Marco van
Basten geweest.
Onlangs
verklaarde mijn knappe kapster dat je inderdaad kou vat als je met natte haren
buiten bent. En het blijkt met de stand van de maan te maken te hebben dat uren
voor middernacht zwaarder tellen. Maar ik zweer het je, dat weten de ouders op
het schoolplein níet! Laat ik alsjeblieft nooit lezen in een sportmagazine dat
de lievelingsgroente van Ruud Gullit blijkt te zijn: witlof en bloemkool.